Op zondag 6 november is het, na lang trainen, eindelijk zover: onze New York City Marathon! 42KM, 26.2Miles. Na maanden van voorbereiding en spanningsopbouw komt die dag dan éindelijk. Ik moet je eerlijk bekennen: ik was er ook wel een béétje klaar mee. Het vele trainen, alles in het teken van de marathon. Het viel me niet altijd mee, maar het doel was helder: lopen in New York, geld inzamelen voor Energy4all.
Time flies when you’re having fun… zeggen ze. Marko Koers had ons tijdens één van de laatste clinics voorgehouden vooral veel te genieten, want het was voorbij voor je het wist. Voor de nummers 1, 2 of 3 gingen we niet, dus als we dan toch niet op het erepodium hoefden te verschijnen, konden we ook maar beter met volle teugen genieten van dat enorme evenement.
En die nacht kan ik amper slapen. We moeten om kwart voor 6 ‘s ochtends in de bus zitten, en oh God, wat wil ik graag slapen. New York hakt er aardig in. I want to wake up in a city that never sleeps… Maar ik slaap helemaal niet! Half 2, eyes wide open, starend naar het plafond. Oordoppen in want het lawaai dat vanaf Broadway ons hotel opwaait is heftig. Het mag niet baten, ik lig daar maar, na te denken over wat het ultieme genieten moet worden. Heb ik wel genoeg getraind? Heb ik mijn benen de afgelopen dagen niet tot pap gelopen? Heb ik wel voldoende gedronken? Gegeten? Alles spookt door m’n hoofd en ik krijg het er behoorlijk warm van. Om half vijf hou ik het niet meer en stap ik onder de douche. Na een staand ontbijt, mijn standaardontbijt van boterhammen met jam, dat ik met geweld naar binnen moet stóuwen, vertrekken we richting de bus. Skijacks, dikke fleece truien, slaapzakken, stukken plastic, alles wat ons warm kan houden nemen we mee.
De bus wordt bestuurd door een stoere NY Latina die het niet kan laten een race aan te gaan met de overige bussen die zich over de Verrazano bridge richting Staten Island – het startterrein – spoeden. Haar houding, haar rauwe grappen maken dat er een beetje “lucht” bij kan komen. Verder veel strakke bekkies in de bus. Een aantal hartslagmeters van lopers achter ons geven al een hoog piepgeluid weer in een ritme dat Paula en mij even doet fronsen. Als die harten nu al zo tekeer gaan, wat moet dat dan straks worden?
Het startterrein heeft meer weg van een popfestival. Pinkpop goes Staten Island. Zoiets. Een band staat luid te rocken, in het gras liggen plukjes mensen bij elkaar. Sommigen proberen wat slaap te pakken. We vinden een prima plekje, maar al gauw blijkt dat Paula en ik daar afscheid moeten nemen. Onze startvakken liggen nogal uit elkaar, Paula start in blauw bovenop de brug, ik in groen op het onderdek.
Ik blijf achter met Karen en Antoinette, Katja, Adje, Jochem, Paul, Marije, Michiel en Loek. Nadat we de tassen hebben ingeleverd vullen de uiteindelijke startvakken zich al snel. Ik krijg er gezelschap van een alleraardigste dame, Christine Stutzke, Duitse en net over de grens bij Roermond woonachtig. Ze is 65, heeft al meerdere marathons op haar naam staan, maar is nog nooit in NY geweest. Hoe makkelijk je in zo’n setting ook kennis maakt aan anderen. Sport verbroedert, dat is duidelijk. Ik heb er zomaar een Deutsche Sportschwester bij.
Vlak voor de start worden we toegezongen. Een dame, werkzaam bij de New York Fire Department, zingt “God bless America” en galmt ons toe. Fantastisch, echt kippenvel op je armen. Dan klinkt het kanonschot en worden we de Verrazano bridge opgejaagd. Wat kan ik zeggen. Met zoveel mensen over een brug heen stappen, met een prachtig uitzicht over de stad. Zo indrukwekkend is een race voor mij nooit eerder begonnen. Wel bijzonder dat mensen eigenlijk ook vrijwel direct beginnen te wandelen. Er is nog geen mijl afgelegd of ze staan al bijna stil op het traject. Dat is voor de hardlopers wat lastig. We moeten al zigzaggen tussen de achtergelaten kleding, mutsen, handschoenen en plastic zakken, en daar komt dan ook nog het laveren tussen wandelende en stilstaande “lopers” bij.
Eenmaal van de Verrazano bridge af (heerlijk als je naar beneden mag rennen) komen we op een punt waar de lopers weer werden samengevoegd. Een bijzonder moment. Eén lang lint van lopers, zover je kunt kijken, voor en achter je. Er zingen gospelkoren, er spelen tientallen bands, eenzame gitaristen laten prachtige of minder prachtige klanken horen, boomboxen worden buiten gezet. Wat kunnen Amerikanen een feest vieren! Ongelooflijk. En wat ben ik blij dat ik op de valreep nog m’n naam op m’n t-shirt heb laten printen. “Come on Mwurielle! You’re looking good! You can do this! You’re gonna cross that line!”.
Bij 15 kilometer krijg ik daar toch wel wat twijfel over. De trainers hadden ons duidelijk gezegd dat we bij alle drankposten moesten drinken, en wat eerder gebeurde, gebeurt nu weer: de Gatorade valt totaal verkeerd. Ik voel me met de minuut misselijker worden en kan ternauwernood een Dixie bereiken om de hele boel weer uit te kotsen. De kilometers daarna blijf ik me ziek voelen. Veel kokhalzen, toch weer proberen te eten en te drinken om de man met de hamer voor te zijn, maar inmiddels hebben mijn darmen ook besloten mee te doen met het feestje. Op enig moment, zielig op een mobiel toilet, vraag ik me af of ik überhaupt nog van die WC af zou kunnen komen. Strompelend weer op gang. Niks wandelen: rennen ga je!
Ik passeer juichende mensen die me toeroepen dat ik door moet gaan. Kinderhandjes die om High-Fives vragen. Een enorme beer van een kerel die me trakteert op de beste Free Hug ever. Ik zie lopers die een dansje wagen met het publiek. Er lopen cheerleaders rond die de maratonlopers entertainen en aanmoedigen. Hier is iets bijzonders gaande. Het tintelt door mijn hele lijf. Maar ik voel me nog steeds goed beroerd. Als we de Queensboro bridge oprennen ben ik bang dat ik weer moet overgeven. Achter me kakelt een klein vrouwtje me tegemoet. Ze loopt met ballonnen en blijkt tot de pace-teams behoren. Als ze me voorbijrent, gevolgd door een man of 3, 4, raap ik mezelf bij elkaar: ik ga mijn marathon niet laten vergallen door wat ik fysiek allemaal voel, ik ga aanhaken en haar niet meer loslaten. En zo ren ik samen met mijn “haas” 1st Avenue op. Ze deelt alle mijlen op in stukjes, praat over wat de mijlen met je kunnen doen, voor wie je ze kunt lopen, dat die pijn maar 5 uur duurt en dat er mensen zijn die meer pijn hebben dan ik in die 5 uur bij elkaar kan voelen. Ze heeft een punt. Een heel sterk punt. En zo lopen we mijl voor mijl. Ze telt tot vijf bij de drankposten, opdat we gezamenlijk overgaan tot wandelen, drinken, en na 5 tellen vervolgen we ons pad weer.
Uiteindelijk rennen we Central Park in. Nog maar een paar mijlen te gaan. Het gaat niet snel, en ik weet dat ik nog een beetje over heb. Ik kan het zonder m’n haas, ik weet het. Met alles wat ik nog in me heb, veel is het niet, versnel ik m’n pas en verlaat ik het groepje. De laatste twee mijlen schiet ik nog langs een hoop mensen heen. Van sommigen straalt de pijn af. Wat een doorzetters lopen hier. Wat een ongelooflijke prestaties worden hier neergezet! Ik voel de tranen in me opkomen als ik in de buurt van de finish kom. Nog zoveel yards… nog zoveel yards…heuveltje op – en dan ben ik er. M’n armen gaan in de lucht. In m’n vuisten zit zoveel kracht. Ik kwam van ver…en ik ben er. Eindelijk. Eenmaal over de matten rollen de tranen over mijn wangen. Die laatste mijlen waren voor de mensen van wie ik hou, en ze waren zo dicht bij me. De man bij de medailles kijkt me glimlachend aan. Ik hang je de medaille om je nek, lady, maar dan moet je wel een beetje vrolijker kijken! Hij heeft gelijk. Ik lach door m’n tranen heen. I made it…
New York is knéttergek. En met een medaille door New York lopen maakt de New Yorkers helemáál maf. Ik krijg een “boksje” in het park van een opzichter die onze medailles komt bewonderen. Een onverstaanbare Aziaat kijkt ons verwonderd aan. Uit z’n woordenbrij en gebaren maken we z’n vraag op: Of we hebben gewonnen? Jazeker, en we laten onze medailles zien. We hebben zéker gewonnen. Oh echt? Dan wil hij absoluut met ons op de foto. Eerst met Paula, dan met mij. We lachen ons een kriek. Op een goeie dag gaat dit verhaal in Taipeh, Bejing of weet ik veel waar een eigen leven leiden: op de foto geweest met de winnaars van de New York City Marathon 2011. We worden toegeknikt, er wordt geapplaudisseerd: New York is trots op ons, en dat laten ze merken.
En dan is het dinsdag. Na een bezoek aan Ground Zero gaan we weer richting vliegveld. We kijken naar de skyline van NYC, verbazen ons over de brug waar we nu overheen rijden – en waar we zo hard op hebben gezwoegd, twee dagen geleden. We deden het, we hebben het verdorie nog aan toe gedáán. De medailles nog steeds trots op onze buik, aan een koningsblauw lint. We voelen ons allemaal winnaars. Ieder met z’n eigen verhaal, z’n eigen race… zo bijzonder.
De man aan de incheckbalie op JFK airport kijkt me met glimmende ogen aan. “Did you really run that marathon Sunday?” En ik knik. Trots op dat grote blinkende ding dat nu al twee dagen om mijn nek hangt. “Can I touch it?” vraagt ie beleefd. Natuurlijk mag dat. Met zijn vingers glijdt hij over het metaal en kijkt me vervolgens veelbetekenend aan: ” Oh missy, you’ve been writing history in my city!” Ik weet het. Hier is het gebeurd. Ik ben niet langer een hardloper. Sinds 6 november 2011 ben ik een marathoner. Yes-I-am.
